Het Tweeëntwintigste Amendement op de grondwet van de Verenigde Staten was een toevoeging aan de grondwet van de Verenigde Staten die een limiet stelde aan het aantal keren dat iemand tot president kon worden gekozen. Iemand mag slechts twee keer worden gekozen, of één keer als hij al meer dan twee jaar president is geweest van een termijn waarvoor een ander oorspronkelijk was gekozen. Het Congres nam het amendement aan op 21 maart 1947. Het werd geratificeerd op 27 februari 1951.

Achtergrond

Voor de invoering van het amendement bestond er geen constitutionele limiet op het aantal termijnen dat een president kon dienen. De gewoonte was dat presidents slechts twee termijnen dienden, een precedent dat door George Washington was gezet en dat lange tijd ongeschreven regel was. Het feit dat Franklin D. Roosevelt vier keer tot president werd gekozen (1932, 1936, 1940 en 1944) leidde tot veel discussie en uiteindelijk tot het voorstel van een formele beperking.

Wat het amendement precies regelt

In simpele bewoordingen bepaalt het Tweeëntwintigste Amendement het volgende:

  • Een persoon mag niet meer dan twee keer verkozen worden tot president.
  • Als iemand meer dan twee jaar van een door een ander gekozen termijn heeft dienstgedaan als president (bijvoorbeeld door opvolging na overlijden of aftreden), mag die persoon nog maar eenmaal gekozen worden tot president.
  • De drempel voor ratificatie (drie vierde van de staten binnen een bepaalde termijn) werd gehaald toen 36 van de toenmalige 48 staten het amendement ratificeerden.

Hoe wordt de teltijd berekend en praktische gevolgen

De bepalingen maken onderscheid tussen daadwerkelijk gekozen termijnen en perioden waarin iemand als president heeft gefunctioneerd zonder gekozen te zijn. Daardoor ontstaan twee belangrijke regels:

  • Wie minder dan twee jaar heeft gediend als opvolger van een gekozen president, kan later nog twee keer zelf worden gekozen — maximaal dus bijna tien jaar in totaal (bijv. iets minder dan 2 jaar + 2×4 jaar).
  • Wie meer dan twee jaar van iemands termijn heeft gediend als opvolger, kan nog maar één keer worden gekozen — maximaal dus iets meer dan zes jaar in totaal (bijv. >2 jaar + 4 jaar).

Voorbeelden uit de praktijk: Lyndon B. Johnson trad in als president na de moord op John F. Kennedy (november 1963) en had minder dan twee jaar van die termijn gediend; daardoor had hij volgens de regel nog twee keer gekozen kunnen worden (hij werd in 1964 eenmaal gekozen en stelde zich in 1968 niet opnieuw verkiesbaar). Gerald Ford, die na het ontslag van Nixon president werd (1974–1977), had meer dan twee jaar van Nixons termijn gediend; volgens de 22e zou hij dus nog slechts één keer gekozen mogen worden (hij stelde zich in 1976 wel verkiesbaar en verloor).

Effecten, kritiek en discussie

Het amendement legt een vaste limiet op de ambtstijd van gekozen presidenten en heeft sindsdien vermeden dat een president gelijk aan of langer dan Franklin D. Roosevelt aanblijft. Critici stellen dat een constitutionele termijnenlimiet kiezers de vrijheid ontneemt om een populaire president langer te kiezen en dat het invloed kan hebben op de machtsevenwichten tussen uitvoerende en wetgevende macht. Voorstanders vinden dat het machtsconcentratie voorkomt en de democratische vernieuwing bevordert.

Er bestaan vanaf de ratificatie herhaaldelijk voorstellen om het amendement te wijzigen of op te heffen, maar geen van die voorstellen heeft voldoende steun gekregen om aangenomen te worden.

Huidige status en betekenis

Het Tweeëntwintigste Amendement is nog steeds deel van de Amerikaanse grondwet en heeft blijvende invloed op de dynamiek van de presidentiële politiek in de Verenigde Staten. Het verandert de strategische overwegingen voor vice-presidenten die kunnen willen opvolgen, voor zittende presidenten en voor partijen die kandidaten kiezen. In constitutionele debatten blijft het amendement onderwerp van discussie, met vragen over democratische keuzevrijheid, stabiliteit en politieke vernieuwing.

Kort samengevat: het Amendement beperkt verkiesbaarheid tot twee keer (met een uitzondering voor opvolging die korter dan twee jaar heeft geduurd), werd voorgesteld in 1947 en geratificeerd in 1951, en is sindsdien van kracht als de formele presidentslimiet in de Amerikaanse grondwet.