Een madrigaal is een wereldlijk lied voor een kleine groep zangers. Madrigalen waren bijzonder populair in de 16e en 17e eeuw, een periode die de overgang markeert van de late renaissancemuziek naar de vroege barok. De vorm ontstond in Italië en vond daarna snel navolging in landen als Engeland en Frankrijk. De tekst van een madrigaal is altijd seculier (niet-religieus) en behandelt meestal onderwerpen als de liefde, het plattelandsleven of mythologische scènes.
Herkomst en verspreiding
Toen Italiaanse componisten begonnen met het schrijven van madrigalen kenden ze de frottola, het motet en het Franse chanson. De vroegste madrigalen waren vaak kort en voor 2 of 3 stemmen geschreven; later werd 4- of 5-stemmigheid de norm. Door de verspreiding van drukwerk en uitwisselingen tussen componisten kreeg het genre snel internationale bekendheid. In 1533 verscheen in Venetië het boek Primo libro di Madrigali, verzameld en uitgegeven door Philippe Verdelot, wat de populariteit van het genre een grote impuls gaf.
Vorm en muzikale kenmerken
Madrigalen variëren van eenvoudige homofone stukken tot complexe polyfone composities waarin meerdere stemlijnen elkaar vrij imiteren. Veel madrigalen zijn through-composed (minder strofisch) omdat de muziek nauwgezet de betekenis en de emotie van de tekst volgt. Een belangrijk kenmerk is woordschildering: de componist gebruikt melodie, ritme en harmonie om beeldend de tekst uit te beelden. Zo kan een woord als “glimlach” snelle noten krijgen, een “zucht” worden uitgebeeld door een korte rust of lang aangehouden noot, en woorden over hoogte worden opklimmend gezet. Dit woordschilderen werd in de madrigaal op een gedurfde en vaak illustratieve manier toegepast, later ook sterk ontwikkeld in de vroege barok (bijvoorbeeld door Claudio Monteverdi).
Uitvoering en bezetting
Madrigalen werden zowel door beroepszangers als door amateurs gezongen. De bezetting kon bestaan uit één zanger per partij (solistisch) of meerdere zangers per stemgroep. Soms ondersteunden of vervingen instrumenten de stemmen; luiten, violen of andere continuo-instrumenten werden regelmatig gebruikt, maar in veel gevallen werden madrigalen onbegeleid gezongen. Typische stemindelingen volgen de vocale rollen van die tijd (sopraan/cantus, altus/alt, tenor, bas).
Stijlen en ontwikkelingen
In Italië ontwikkelde zich vanaf midden 16e eeuw een breed palet aan madrigaalstijlen: van de elegante, gestileerde madrigalen tot uiterst expressieve werken met chromatiek en opvallende dissonanties (bijvoorbeeld bij Carlo Gesualdo). De overgang naar de barok liet zich zien in de toenemende aandacht voor expressie en de ontwikkeling van de seconda pratica, een stijlrichting die tekstexpressie boven strikte contrapuntregels stelde (belangrijk bij Claudio Monteverdi). In Engeland nam men het Italiaanse voorbeeld over maar gaf het vaak een lichtere, meer ritmische en melodische inslag, met typische refreinen als “fa la la la la”.
Publieke en sociale functie
Madrigalen werden gezongen bij bijeenkomsten aan hof en in huishoudens: ze waren zowel kunstzinnig vermaak als uiting van sociaal samenzijn. In Italië ontstonden aan het eind van de 16e eeuw ook zogenoemde madrigaalcomedieën en madrigaalcycli, samenstellingen van korte madrigalen die een verhaallijn of theatrale werking kregen — een van de voorlopen van de opera.
Belangrijke publicaties
Een beslissend moment voor de verspreiding van het madrigaal was de Engelse uitgave Musica Transalpina (1588) door Nicholas Yonge, een bundel met Italiaanse madrigalen waarvan de teksten in het Engels waren vertaald. Dit maakte het genre in Engeland razend populair en droeg bij aan de ontwikkeling van een eigen Engelse madrigalschool.
Belangrijke componisten
In Italië behoren onder anderen Giovanni da Palestrina, Luca Marenzio, Jacques Arcadelt, Adrian Willaert, Cipriano de Rore, Carlo Gesualdo, Giaches de Wert en Claudio Monteverdi tot de belangrijkste namen. In Engeland waren dat William Byrd, Thomas Morley, John Wilbye, Thomas Weelkes, John Dowland, Orlando Gibbons en Thomas Tomkins. Van de Frans-Vlaamse school zijn er Orlando di Lasso en Josquin des Prez. Van Spaanse componisten verdienen Tomás Luis de Victoria en Mateo Flecha vermelding.
Voorbeelden en repertoire
Bekende madrigalen die nog vaak worden genoemd zijn bijvoorbeeld Arcadelt’s eenvoudige en populaire stukken, Morley’s vrolijke Engelse liederen zoals “Now is the Month of Maying”, en meer dramatische voorbeelden als Gesualdo’s chromatische werken of Monteverdi’s expressieve latere madrigalen. In Engeland zijn ook meerstemmige stukken met “fa la la”-refreinen veel geciteerd als kenmerkend voor de stijl.
Verval en nalatenschap
Na circa 1630 verloor het madrigaal geleidelijk aan terrein door veranderingen in stijl (de toename van monodie en basso continuo), de opkomst van opera en andere instrumentale genres, en veranderende smaak. Toch bleef de invloed van het madrigaal groot: woordschildering, expressieve tekstbehandeling en de balans tussen polyfonie en homofonie hebben het muziekvak blijvend beïnvloed. In de 19e en 20e eeuw kwam er hernieuwde belangstelling vanuit de vroeg-muziekbeweging; tegenwoordig komen madrigalen vaak opnieuw tot leven in uitvoeringen door gespecialiseerde ensembles en koorformaties.