De Slag aan de Somme vond plaats in de Eerste Wereldoorlog. De slag begon op 1 juli 1916 en eindigde op 18 november 1916. De slag werd genoemd naar de Franse rivier de Somme waar hij werd uitgevochten.

Op de eerste dag had het Britse leger 57.470 slachtoffers, waaronder 19.240 doden. Het Franse leger had 1.590 slachtoffers en het Duitse leger verloor 10.000-12.000 man. De geallieerden waren van plan samen aan te vallen, maar de Fransen waren bezig met de Slag om Verdun, dus de voornaamste aanvallers waren Britten. De kosten van de slag en de geringe winst zijn een bron van verdriet en controverse geweest in Groot-Brittannië. In Duitse en Franse geschriften is de eerste dag van de Slag aan de Somme weinig meer dan een voetnoot bij de massale verliezen van 1914-1915 en de Slag om Verdun.

Tijdens de slag aan de Somme zijn meer dan 1,5 miljoen mensen omgekomen, gewond geraakt of vermist geraakt. Deze slag was de ergste in WO I, vooral vanuit het oogpunt van Groot-Brittannië.

Vijf dagen lang vuurden de Britten granaten af op de Duitse loopgraven om ze te vernietigen. Om 7.30 uur op 1 juli gaven de Britse generaals de Britse soldaten het bevel hun loopgraven te verlaten en op te rukken naar de Duitse loopgraven. De Duitse loopgraven waren ongewoon diep, en de Duitse soldaten konden de machinegeweren tijdens het bombardement uitschakelen en daarna weer oprichten.

Over deze ramp zijn hele boeken volgeschreven, maar het is nog steeds niet duidelijk waarom het gebeurde. Wel is duidelijk dat het spervuur van de artillerie zijn doel voorbij schoot. Waar genoeg Duitse mitrailleurs overleefden, gesteund door hun artillerie, mislukte de Britse aanval, met veel slachtoffers. De effectiviteit van de verdedigingswapens bepaalde het resultaat. In een dergelijke omgeving was een soldaat met een bajonet overbodig en waren infanterieformaties nutteloos.