Verticale overdracht (ook wel overdracht van moeder op kind of MTCT genoemd) betekent dat een infectie tijdens de zwangerschap of bevalling van de moeder op de foetus wordt overgedragen. Verticaal overgedragen infecties worden meestal veroorzaakt door bacteriën of virussen.

Als de baby de infectie nog steeds heeft nadat hij of zij is geboren, kan de infectie een aangeboren infectie worden genoemd.

 

Wanneer en hoe vindt overdracht plaats?

Verticale overdracht kan op verschillende momenten gebeuren:

  • In utero (voor de geboorte): de moeder draagt het micro-organisme via de placenta over aan de foetus.
  • Intrapartaal (tijdens de bevalling): de baby raakt besmet door contact met geïnfecteerde vaginale of rectale vloeistoffen.
  • Postnataal (na de geboorte): via borstvoeding of nauw contact met de moeder of verzorgers.

Veelvoorkomende oorzaken

Enkele bekende verwekkers van verticale overdracht zijn:

  • TORCH-kenners: Toxoplasma gondii, Other (zoals syfilis, Zika), Rubella (rode hond), Cytomegalovirus (CMV) en Herpes simplexvirus (HSV).
  • HIV: kan vóór, tijdens of na de geboorte worden overgedragen; effectieve antiretrovirale therapie verlaagt de kans sterk.
  • Hepatitis B (HBV): moeder op kind overdracht kan voorkomen; vaccinatie en immunoglobuline voor de pasgeborene vermindert risico.
  • Groep B-streptokokken (GBS) en Listeria: belangrijke bacteriële oorzaken van sepsis bij pasgeborenen, vaak tijdens of kort na de bevalling.

Gevolgen voor de baby

De ernst van de infectie hangt af van de aandoening, het tijdstip van besmetting en of er behandeling is gestart. Mogelijke gevolgen zijn:

  • Abortus spontaan of doodgeboorte (bij ernstige infecties vroeg in de zwangerschap).
  • Aangeboren afwijkingen of groeivertraging.
  • Neonatale infecties met koorts, ademhalingsproblemen, sepsis of meningitis.
  • Langetermijngevolgen zoals gehoorverlies, visusstoornissen of ontwikkelingsachterstand (bijvoorbeeld bij CMV of rubella).

Symptomen bij pasgeborenen

Niet alle geïnfecteerde baby’s vertonen direct klachten. Mogelijke signalen:

  • Weinig drinken, sufheid of slecht reageren.
  • Koorts of juist lage lichaamstemperatuur.
  • Huidbloedinkjes (petekkieën), geelzucht of vergrote lever/ milt.
  • Ademhalingsproblemen of moeilijkheden bij zuigen.

Diagnose en onderzoek

Diagnose gebeurt door combinatie van moeder- en babytests:

  • Serologisch onderzoek (bloedtesten) bij de moeder en soms bij de baby.
  • PCR- of kweektesten van lichaamsvloeistoffen (bv. bloed, urine, keel- of vaginawisser).
  • Echo of andere beeldvorming tijdens de zwangerschap om afwijkingen te zoeken.
  • Neonatale screening en follow-up (bij bepaalde infecties wordt systematische controle aanbevolen).

Preventie

Veel verticale overdrachten zijn te voorkomen of te verminderen door eenvoudige maatregelen:

  • Screening tijdens de zwangerschap: routineonderzoeken voor HIV, syfilis, HBV en GBS verminderen risico’s door tijdige behandeling.
  • Vaccinatie vooraf of tijdens zwangerschap: dames die geen immuniteit hebben tegen rubella moeten gevaccineerd worden vóór een zwangerschap; hepatitis B-vaccinatie waar nodig.
  • Behandeling van de moeder: antiretrovirale therapie bij HIV, antivirale middelen bij actieve herpessinfectie in de zwangerschap of bij de bevalling wanneer geïndiceerd.
  • Intrapartummaatregelen: intraveneuze antibiotica tijdens de bevalling bij GBS-dragers of bij vermoeden van bacteriële infectie; soms wordt een keizersnede overwogen bij actieve genitale herpes om besmetting te verminderen.
  • Neonatale maatregelen: direct na de geboorte toedienen van hepatitis B-immunoglobuline en start van vaccinatie indien moeder HBV-positief; profylaxe en behandeling waar nodig.
  • Hygiëne en leefregels: voorkomen van CMV door regelmatiger handen wassen bij contact met kleine kinderen, vermijden van rauw vlees en kattenbakken om toxoplasmose te voorkomen, borstvoedingsadviezen bij bepaalde infecties.

Behandeling en nazorg

Behandeling hangt af van de verwekker en de ernst. Vroege herkenning en snelle behandeling kunnen blijvende schade verminderen:

  • Antibiotica bij bacteriële infecties zoals GBS of syfilis.
  • Antivirale middelen bij HIV, HSV of ernstige CMV-infecties (afhankelijk van indicatie).
  • Langdurige follow-up voor kinderen met aangetoonde congenitale infecties: gehoor- en oogonderzoek, ontwikkelingsscreening en specialistische begeleiding indien nodig.

Belangrijke aandachtspunten

  • Veel verticale infecties zijn te behandelen of te voorkomen met goede prenatale zorg.
  • Reguliere screening en tijdige interventie verminderen risico’s voor zowel moeder als kind.
  • Bespreek bij (plannen voor) zwangerschap altijd de vaccinatiestatus, eerdere infecties en leefstijladviezen met de huisarts of verloskundige.