Alle pinguïns hebben een witte buik en een donkere, meestal zwarte, rug. Dit is een soort camouflage om ze veilig te houden als ze zwemmen, omdat ze zo opgaan in hun achtergrond. De witte en zwarte kleuren geven een effect dat 'tegenschaduw' heet. Wanneer een roofdier van onderaf de witte buik en vleugels van een zwemmende pinguïn ziet, kan hij de pinguïn niet goed zien omdat het licht van boven komt. Van bovenaf gezien echter, mengt de zwarte rug van de pinguïn zich met het donkere water eronder, zodat hij moeilijk te zien is.
De grootste pinguïns kunnen bijna 110 cm groot worden en kunnen bijna 40 kg wegen. De kleinste soorten zijn slechts ongeveer één voet (32 cm) groot.
Pinguïns hebben een dikke laag spek, die hen helpt zich warm te houden, en hun veren zijn zeer dicht opeengepakt om een andere bedekking te vormen. Ze hebben ook een laag wollige donsveren, onder de buitenste geaderde veren die bedekt zijn met een soort olie die ze waterdicht maakt.
Pinguïns hebben voeten met zwemvliezen waarmee ze in het water peddelen. Ze kunnen niet goed lopen, dus waggelen ze. Pinguïns kunnen niet vliegen, maar wel heel goed zwemmen. Hun vleugels zijn stijf geworden en ze hebben kleine zwemvliezen. Ze hebben een goed gehoor en kunnen onder water zien.