Symbiose (pl. symbiose) betekent samenleven. Het beschrijft nauwe en langdurige relaties tussen verschillende soorten. De term werd gebruikt door Anton de Bary in 1879, als "het samenleven van ongelijke organismen".

Een symbiont is een organisme dat in een relatie leeft met een andere soort waarbij één of beide soorten voordeel hebben. Wanneer een soort in een andere soort leeft, of wanneer een microscopische symbiont in de cellen van een gastheer leeft, wordt dit een endosymbiont genoemd.

De relevantie van symbiose is de frequentie en de evolutionaire betekenis ervan. Er blijken geen hogere planten of dieren te bestaan zonder symbionten. Die symbionten zijn van groot belang voor de grotere organismen, die in de meeste gevallen niet zouden kunnen leven zonder hun symbionten. Mycorrhiza bij hogere planten en darmflora bij insecten en gewervelde dieren zijn daar voorbeelden van. De mens vormt hierop geen uitzondering.

Bovendien zijn de meeste van deze associaties tussen organismen niet alleen van verschillende soorten, maar van verschillende koninkrijken. En ten slotte bevatten de cellen van alle eukaryoten organellen die afstammen van symbiotische relaties die minstens een miljard jaar geleden zijn begonnen. Mitochondriën en plastiden zijn daar voorbeelden van. De conclusie moet zijn dat symbiose van groot belang is geweest voor de evolutie van het leven.