Veruit de meeste wespen (meer dan 500.000 soorten alleen al in de superfamilie Chalcidoidea) zijn een speciaal soort parasieten. Het zijn parasitoïden die hun eitjes leggen in of op het lichaam van andere insectensoorten (meestal de larven zoals rupsen).

Verschillende soorten specialiseren zich in gastheren uit verschillende insectenorden, meestal Lepidoptera, hoewel sommige kevers, vliegen of wantsen selecteren; de spinnendoders (Pompilidae) vallen uitsluitend spinnen aan.

Bijna elke schadelijke insectensoort heeft minstens één wespensoort die erop jaagt of erop parasiteert. Dit maakt wespen van cruciaal belang voor de natuurlijke bestrijding van plagen (biocontrole). Parasitaire wespen worden steeds vaker gebruikt bij de bestrijding van landbouwplagen, omdat ze zelf weinig of geen schade aan gewassen toebrengen. Landbouwers kopen deze sluipwespen voor de bestrijding van insecten op hun akkers.

Bij de meeste soorten halen de volwassen sluipwespen zelf geen voedingsstoffen uit hun prooi. Net als bijen, vlinders en motten halen de volwassen sluipwespen hun voeding meestal uit nectar.

Parasitaire wespen hebben zeer uiteenlopende gewoonten. Vele leggen hun eitjes in inerte stadia van hun gastheer (ei of pop). Als de prooi een rups is, verlammen ze die door hem via hun legboor met gif te injecteren. Vervolgens brengen ze een of meer eitjes in de gastheer of leggen ze deze uitwendig op de gastheer. De gastheer blijft in leven tot de larven van de parasitoïden volgroeid zijn en sterft later als de parasitoïden zich verpoppen of als ze volwassen zijn. In feite worden de gastheren levend opgegeten.