De 18e en 19e eeuw
De classificatie van Johann Friedrich Blumenbach, voor het eerst voorgesteld in 1779, werd op grote schaal gebruikt in de 19e eeuw, met vele variaties.
Het begin van de 20e eeuw
Rond de Eerste Wereldoorlog verdeelden de wetenschappelijk ingestelde Europeanen het "blanke ras" in drie of vier vermeende subrassen, die waren:
- Blond haar, blauwe of grijze ogen = Ariërs/Noords (b.v. in heel Noord-Europa van Rusland tot Noord-Britannië)
- Donker haar, blanke huid, bruine ogen = Alpine (b.v. sommige Russen, Midden-Fransen, Noord-Italianen, Oostenrijkers, Zuid-Duitsers, Oost-Europeanen en Welsh).
- Donkerharig, gebruinde/olijfkleurige huid, bruine ogen = mediterraan (bijv. Zuid-Italianen, Zuid-Spanjaarden, Zuid-Fransen, Grieken en Maltezen).
- Rood haar, gebruinde/olijfkleurige of blanke huid, bruine ogen, groene, blauwe of hazelnootkleurige ogen = Anglo-Keltisch/Gaelisch (bijv. Schotten, Ieren en Nederlanders).
Er waren veel vooroordelen gebaseerd op deze manier van kijken naar de wereld. De Europeanen en Aziaten beschouwden zich beiden als superieur aan de andere huidskleuren. Racisme, een niet-wetenschappelijke theorie of ideologie, hield in dat een bepaald ras superieur of inferieur was. Het stelde dat er in de rassen die samen het menselijk ras vormen, diepe, biologisch bepaalde verschillen zijn. Het stelt ook dat rassen apart moeten leven en niet met elkaar mogen huwen. Een aanhanger van racisme wordt een racist genoemd. Deze houding ondersteunde op haar beurt de gruwelen van de Afrikaanse slavernij, de Apartheid, de Jim Crow-wetten, het nazisme en het Japanse imperialisme.
Midden twintigste eeuw
De rassenindeling van de Amerikaanse antropoloog Carleton S. Coon uit het midden van de twintigste eeuw verdeelde de mensheid in vijf rassen:
- Kaukasoïde (blank) ras
- Negroïde (zwart) ras
- Capoid (Bosjesmannen/Hottentotten) ras
- Mongoloïde (Oosters/Amerindiaans) ras
- Australoïde (Australische Aboriginal en Papoea) ras
In zijn baanbrekende boek The Races of Europe definieerde Coon het Kaukasische ras als omvattende Europa, Centraal-Azië, Zuid-Azië, het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Noordoost-Afrika. Zijn werk leidde tot enkele beschuldigingen van verouderd denken of regelrecht racisme van een paar critici, maar een deel van de terminologie die hij gebruikte wordt zelfs vandaag nog gebruikt, hoewel de "-oïde" achtervoegsels nu gedeeltelijk een negatieve connotatie hebben gekregen.
In de eenentwintigste eeuw werd de rol van Coon nog eens kritisch bekeken toen prof. John P Jackon Jr. opmerkte dat de Amerikaan Coon "actief de segregationistische zaak steunde in strijd met zijn eigen normen voor wetenschappelijke objectiviteit".