Een stengel is één van de twee belangrijkste structurele assen van een vasculaire plant. De stengel is doorgaans verdeeld in knopen (nodes) en internodiën (internodes). Aan de knopen zitten bladeren, bloemen, kegels, okselknoppen of soms andere stengels vast. Stengels zorgen voor de ruimtelijke ordening van de plant: ze dragen bladeren zodat die in het licht komen te staan en bieden een plaats voor bloemen en vruchten.

Begrippen en verwarring

De term "scheuten" wordt vaak verward met "stengels". Een "scheut" verwijst meestal naar nieuwe, verse plantengroei en omvat zowel stengels als aan die stengels beginnende bladeren of bloemen. Het woord "stengel" dekt dus specifiek de houtachtige of kruidachtige as, terwijl "scheut" een groeifase of geheel van jonge structuren aanduidt.

Locatie en variatie

De andere hoofd-as van planten is de wortel. In de meeste soorten bevinden stengels zich boven het grondoppervlak, maar er bestaan veel ondergrondse varianten. Ondergrondse stengels zoals stolonen of wortelstokken (rhizomen) dienen vaak voor opslag en vegetatieve vermeerdering. Er is een groot verschil tussen kruidachtige (niet-verkalkte) stengels en houtachtige stengels zoals bij bomen en struiken.

Anatomie van de stengel

Een stengel bestaat uit verschillende weefsels die elk een specifieke taak hebben:

  • Epidermis met cuticula en soms haren; beschermt tegen uitdroging en ziekteverwekkers.
  • Cortex en vaak een centrale pith (merg) die opslag en stevigheid bieden.
  • Vaatbundels met xyleem (water- en mineraaltransport) en bastweefsel (phloem, transport van suikers). Bij veel planten produceert het meristeem (cambium) secundair weefsel waardoor breedtegroei (houtvorming) mogelijk wordt.
  • Bij houtige planten ontstaan door activiteit van cambium en kurkcambium lagen die we samen als schors (bark) aanduiden; in die lagen zijn vaak dode cellen aanwezig.

Verschillen tussen plantengroepen

De opbouw van vaatbundels varieert: bij veel monocotylen liggen de vaatbundels verspreid en blijft secundaire diktegroei meestal beperkt, terwijl bij veel dicotylen de vaatbundels in een kring staan en een actief cambium secundaire groei mogelijk maakt. Dat verklaart waarom sommige planten houtig worden en andere niet.

Hoofdfuncties van de stengel

Stengels vervullen meerdere belangrijke functies:

  • Steun — ze houden bladeren, bloemen en vruchten op de juiste plaats zodat licht, bestuivers en de verspreiding van zaden optimaal zijn.
  • Transport — stengels bevatten vaatbundels die de verplaatsing van water en mineralen (via het xyleem) en organische stoffen (via het bastweefsel) tussen wortels en bovengrondse delen verzorgen.
  • Opslag — in cortex, pith of gespecialiseerde organen worden reservevoedingsstoffen opgeslagen, zoals zetmeel of suikers (voedingsstoffen).
  • Groei en regeneratie — stengels bevatten delend weefsel (meristeem) dat nieuw weefsel produceert en zodoende lengte- en diktegroei mogelijk maakt. Dit meristeem zorgt ook voor de vorming van takken en bladeren.
  • Fotosynthese en verdediging — bij sommige planten nemen groene stengels (bijv. cactusachtige soorten) een deel van de fotosynthese over; stengels kunnen ook aangepast zijn tot stekels, ranken of andere verdedigings- en ondersteuningsstructuren.

Speciale aanpassingen van stengels

Stengels kunnen sterk gemodificeerd zijn:

  • Rhizomen, stolonen en uitlopers voor vegetatieve verspreiding;
  • knollen en tubers (bv. aardappel) voor opslag;
  • bollen (ondergrondse bladerboeien rond een kortsche stengel) voor opslag en overleving in ongunstige periodes;
  • ranken en cladoden voor steun en fotosynthese;
  • stekels of doorns als bescherming tegen vraat.

Levensduur van cellen in de stengel

De levensduur van individuele plantencellen varieert: veel parenchymcellen leven één tot enkele jaren, terwijl bepaalde weefsels in bomen bestaan uit cellen die bij rijping zijn afgestorven. Voorbeelden van afgestorven, maar functionele cellen zijn de houtvaten en tracheïden in het xyleem die water transporteren en structurele steun bieden. In het phloem zijn zegelcellen of sitzeleiwitten (sieve elements) grotendeels functioneel maar afhankelijk van levende begeleidende cellen.

Bij bomen en struiken vormt het oudere, secundaire xyleem (hout) het grootste deel van het houtachtige weefsel en bestaat voor een groot deel uit dode steuncellen; schors en bepaalde delen van het xyleem zijn voorbeelden van langlevende of afgestorven weefsels die toch essentieel blijven voor de plantstructuur en -functie.

Kort samengevat vormen stengels een veelzijdig en aangepast deel van de plant: ze ondersteunen, transporteren, slaan op en zorgen voor nieuwe groei, en in veel soorten spelen ze daarnaast een belangrijke rol in voortplanting en overleving.