Het decennium 1260–1269 begon op 1 januari 1260 en eindigde op 31 december 1269. In dit decennium vonden belangrijke militaire, politieke en culturele veranderingen plaats in Azië, het Midden-Oosten en Europa.
Mongolen, Mamluks en het Midden-Oosten
Kublai Khan werd in 1260 erkend als de Groot-Khan van het Mongoolse Rijk. In de jaren die volgden verplaatste hij de bestuurszetel naar Khanbaliq (de latere Peking) en zette hij de veroveringen in China voort tegen de Zuid-Chinese Song Dynastie. Hoewel de Mongolen veel successen behaalden, kreeg het rijk ook tegenslagen.
Een van de belangrijkste gebeurtenissen was de veldslag bij Palestina in 1260, de Slag bij Ain Jalut, waarin de Mamluks de Mongoolse opmars in het Midden-Oosten tot staan brachten. Deze Mamluks — aanvankelijk geleid in het veld door sultan Qutuz en door commandanten als Baibars — consolideerden hun macht en zouden later onder Baibars als sultan (na 1260) grote invloed uitoefenen. De Mamluks namen in dit decennium verschillende kruisvaardersstaten onder controle en stopten daarmee de Mongoolse dreiging richting Egypte en het zuidelijke Midden-Oosten.
Daarnaast verloor de Mongoolse invloed plaatselijk terrein in andere delen van de regio, en zowel in het zuiden van Europa als in de Kaukasus traden spanningen en militaire confrontaties op. De verschuiving van machtsbalans in het Midden-Oosten maakte een einde aan de onmiddellijke gevaarlijke expansie van de Mongolen in die regio.
Herstel van Byzantijnse macht
In 1261 slaagde het Rijk van Nicaea erin Constantinopel te heroveren en het Byzantijnse Rijk te herstellen door het Latijnse Rijk te verdrijven. Michael VIII Palaiologos werd de kejzer en legde zo het herstel van Byzantijnse instellingen en territoria vast, waarmee een nieuwe fase in de geschiedenis van Oost-Romeinse politiek begon.
Europa: conflicten, statenbouw en wetgeving
In Europa waren politieke spanningen en territoriale geschillen kenmerkend. Ruzies over land en rechten leidden tot verschillende oorlogen op het continent. In Engeland brak de Tweede Baronnenoorlog uit (ongeveer 1264–1267), een interne strijd tussen koning Hendrik III en ontevreden edelen onder leiding van Simon de Montfort. Belangrijke confrontaties waren de Slag bij Lewes (1264), waar de baronnen tijdelijk zegevierden, en de Slag bij Evesham (1265), waar De Montfort werd verslagen door koninklijke troepen onder leiding van prins Edward (de latere koning Edward I).
Aristocratische rivaliteiten en erfenissen leidden tot machtstoename voor vorsten als koning Otakar II van Bohemen. Otakar breidde zijn invloed uit door verovering en door te profiteren van uitgestorven dynastieke lijnen in Centraal-Europa, waarmee hij een van de machtigste vorsten van midden-Europa werd.
In het noorden van Europa werd de invloed van Noorwegen bevestigd over gebieden in de Noord-Atlantische wereld: IJsland en Groenland erkenden in deze periode officieel de overheersing van Noorwegen (de zogeheten "oude verbintenissen" in de eerste helft van de jaren 1260). Tegelijkertijd kwamen de spanningen tussen de Noormannen en Schotland tot een hoogtepunt: de Slag bij Largs (1263) en de daaropvolgende onderhandelingen leidden uiteindelijk tot de Vrede en het verdrag dat de Noorse aanspraken op de Hebriden en andere eilanden reduceerde (verdrag van Perth, 1266).
De Spaanse christelijke koninkrijken zetten de Reconquista voort en veroverden in deze periode nog verschillende belangrijke steden en gebieden op de islamitische mogendheden (de zogenoemde Moren), waarmee de politieke kaart van het Iberisch schiereiland langzaam veranderde.
De manier waarop de paus werd gekozen werd in dit decennium onderwerp van hervorming nadat langdurige ontstentenissen en politieke inmenging tot ontevredenheid leidden. Een langdurige vacancy na het overlijden van paus Clemens IV in 1268 leidde tot nieuwe afspraken en praktijken die later zouden uitmonden in het strengere conclave-systeem voor pauselijke verkiezingen.
Ook institutioneel vonden ontwikkelingen plaats: in Engeland en in door de Anglo-Normandiërs gecontroleerde delen van Ierland kwamen parlementaire vergaderingen bijeen. In Engeland staat vooral de vergadering van 1265 onder Simon de Montfort bekend als een vroeg voorbeeld van een representatieve bijeenkomst waarin ridders en stedelijke vertegenwoordigers werden uitgenodigd, een voorloper van latere parlementaire vormen.
Cultuur, wetenschap en religie
Op cultureel en intellectueel gebied was het decennium vruchtbaar. Roger Bacon werkte in deze periode aan en publiceerde belangrijke wetenschappelijke verhandelingen, samengevat in het bekende Opus Majus, dat hij rond 1267 aan paus Clemens IV zond. Thomas van Aquino publiceerde het werk Summa contra Gentiles, bedoeld als toerusting voor christelijke theologie in dialoog met andersdenkenden.
In de architectuur en beeldhouwkunst maakte de Europese gotiek grote vorderingen: in kathedralen en kerkelijke gebouwen ontstonden verfijnde technische en esthetische oplossingen. Voorbeelden van belangrijke beeldhouwkundige en architectonische werken in dit decennium zijn onder meer de werkzaamheden aan de kathedraal van Chartres en de preekstoelen en doopvontsculpturen van Nicola Pisano (o.a. voor de Duomo di Siena en de doopkapel van Pisa), uitgevoerd in de jaren rond 1260–1267.
In Zuidoost-Azië versterkten koninkrijken als Sukhothai (in het gebied van het huidige Thailand) in deze periode de positie van het boeddhisme (vooral de Theravada-traditie) als een belangrijke en steeds meer officiële religieuze stroming binnen staat en samenleving.
Minderheden en religieuze spanningen
Het decennium zag ook een toename van anti-Joodse maatregelen en spanningen in verschillende delen van Europa. In sommige gebieden vaardigden autoriteiten juridische bepalingen uit die voortekenen van discriminatie bevatten, zoals voorschriften dat Joden herkenbare tekens moesten dragen. Tijdens perioden van geweld en politieke onrust, bijvoorbeeld tijdens de baronnenoorlog in Engeland, werden Joodse gemeenschappen doelwit van aanvallen en plunderingen. Het intellectuele en religieuze klimaat was er daarnaast één waarin de joodse godsdienstliteratuur, waaronder delen van de Talmoed, op verschillende plaatsen met kritiek, censuur en soms verbrandingen te maken kreeg door kerkelijke autoriteiten en inquisitoriale maatregelen.
Samenvattend
- Politiek-militair: het Mongoolse rijk breidde zich onder Kublai Khan uit maar kreeg ook belangrijke tegenstand (bijvoorbeeld door de Mamluks in 1260); het Byzantijnse rijk werd hersteld na de herovering van Constantinopel in 1261; Europese vorsten consolideerden en breidden hun macht uit.
- Europa: interne conflicten zoals de Tweede Baronnenoorlog en territoriale verplaatsingen in Centraal- en Noord-Europa bepaalden veel van de politieke dynamiek.
- Cultuur en religie: belangrijke wetenschappelijke en theologische werken (zoals het werk van Roger Bacon en Thomas van Aquino) verschenen; gotische kunst en beeldhouwkunst floreerden; religieuze en sociale spanningen namen op sommige plaatsen toe, onder meer tegen Joodse gemeenschappen.
Het decennium 1260–1269 markeerde daarmee een periode van belangrijke verschuivingen in macht, cultuur en religieuze verhoudingen die de loop van de late middeleeuwen verder bepaalden.