Het paleolithicum (ook wel de oude steentijd genoemd) was de langste en eerste periode van de prehistorie waarin mensen vooral stenen werktuigen maakten. Het begon naar schatting zo’n 3,3 miljoen jaar geleden en eindigde ongeveer 11.650 jaar geleden, bij het begin van het Holoceen. Ongeveer 99% van de menselijke geschiedenis speelde zich in deze lange periode af. Omdat steen goed bewaart, vormen stenen werktuigen en andere harde resten de kern van wat archeologen over deze tijd kunnen reconstrueren.

Indeling en belangrijke technologieën

Het paleolithicum wordt globaal opgedeeld in drie delen:

  • Vroeg- of Lower Paleolithicum (ongeveer 3,3 miljoen – ~300.000 jaar geleden): hier verschijnen de eerste stenen werktuigen, zoals de oude Oldowan-achtige krabbers en later grovere bifaciale bijlen van het Acheuléen (handaxes). Leden van het geslacht Homo, zoals Homo habilis en Homo erectus, zijn belangrijke makers.
  • Midden- of Middle Paleolithicum (~300.000 – ~40.000 jaar geleden): gekenmerkt door fijnere techniek zoals de Levallois-methode en het Mousteriaanse type werktuigen dat onder andere door de Neanderthaler werd gebruikt.
  • Laat- of Upper Paleolithicum (~50.000 – 11.650 jaar geleden): daar zien we een toename van formeel ontworpen stenen messen en snijden, meer gebruik van bot en hoorn, naalden, visgereedschap en kunstuitingen. Deze fase wordt vooral geassocieerd met Homo sapiens.

Ontstaan en verspreiding

De oudste tot nu toe gevonden stenen werktuigen (ongeveer 3,3 miljoen jaar oud) werden ontdekt in de Grote Riftvallei van Afrika; waarschijnlijk maakten vroege australopithecines of aanverwante hominiden ze. Vanaf ongeveer 1,8 miljoen jaar geleden verspreidden afstammelingen van Homo, zoals Homo erectus, zich uit Afrika naar Azië en later naar Europa. In continentaal Europa zijn er werktuigen van ongeveer een miljoen jaar oud gevonden, en in Groot-Brittannië tot ca. 700.000 jaar geleden. Uitstapjes langs kustlijnen en mogelijk vroeg zeevervoer leidden er uiteindelijk toe dat mensen al vroeg Australië en andere gebieden bereikten.

Werktuigen en technieken

Kenmerkend voor het paleolithicum is het vervaardigen van werktuigen door het slaan van stenen (knapping). Er bestaan verschillende technieken en functionele typen:

  • core-and-flake-technieken: van een kern worden vlakken afgehakt om snij- en schrapers te maken;
  • bifaciale werktuigen (bijlen / handaxes): geslagen en geslepen aan twee zijden;
  • Levallois-techniek: een meer planmatige voorbereiding van een kern om een specifieke, efficiënte afslag te krijgen;
  • gebruik van bot, gewei en hout voor harpoenen, pijlpunten, naalden en visgereedschap;
  • in het Laatpaleolithicum verschijnen gestandaardiseerde messen, naalden en later ook microlithen (kleine steentjes voor samengestelde werktuigen).

Levenswijze en economie

Mensen in het paleolithicum leefden meestal in kleine groepen of bands. Hun economie was hoofdzakelijk gebaseerd op verzamelen van wilde planten en jacht op dieren; in kust- en riviergebieden werden ook schelpdieren en vis gevangen. Jachtstrategieën varieerden van het opmerken en volgen van dieren tot gerichte valstrikken en later het gebruik van speren, speerwerpers (atlatl) en uiteindelijk bogen en pijlen in sommige regio’s.

Nog aanwezige materialen zoals hout, bot, leer en plantaardige vezels werden veel gebruikt (kleding, touw, manden, huizen), maar door hun vergankelijkheid zijn ze vaak niet bewaard gebleven. Wel duiden naderingssporen en soms geconserveerde vondsten op het gebruik van kleding, schuilplaatsen, en eenvoudige constructies.

Vuur, sociaal leven en cultuur

Het beheersen van vuur speelde een grote rol in overleving en sociale organisatie: koken, warmte, bescherming en verlichting. Er is bewijs voor gebruik van vuur sinds miljoenen jaren in verschillende mate, maar regelmatig en gecontroleerd gebruik lijkt breed verspreid aanwezig vanaf enkele honderdduizenden jaren geleden.

Ook sociaal-culturele veranderingen vinden we terug: overlijdensriten en begrafenissen (soms met offergaven), toegenomen specialisatie van werktuigen, en in het Laatpaleolithicum duidelijke symbolische uitingen zoals sieraden en grotschilderingen. Bekende voorbeelden van paleolithische kunst en ritueel gedrag dateren vooral uit de Laatpaleolithische periode in Europa, maar soortgelijke expressies zijn ook elders aangetroffen.

Neanderthalers, Homo sapiens en andere groepen

In Europa en delen van West-Azië leefden de Neanderthalers (Homo neanderthalensis) die hoogwaardige werktuigen maakten en goed waren aangepast aan koude omstandigheden. Onze soort, Homo sapiens, verschijnt in het fossielenbestand in Afrika vanaf ongeveer 300.000 jaar geleden en verspreidt zich later naar andere werelddelen. In sommige gebieden bestond contact en genetische uitwisseling tussen groepen, bijvoorbeeld tussen Neanderthalers, Denisovanen en moderne mensen.

Klimaat en omgeving

Het paleolithicum viel grotendeels samen met het geologische tijdperk het Pleistoceen (de IJstijden). Klimaatwisselingen — glacialen en interglacialen — beïnvloedden flora, fauna en migratieroutes. In koude perioden trokken groepen soms naar zuidelijkere of meer beschutte gebieden; in warmere perioden breidden populaties zich uit en namen ze nieuwe niches in gebruik. In het Midden-Oosten en sommige andere regio’s begonnen mensen geleidelijk te experimenteren met plantengroei en dieren, een proces dat uiteindelijk leidde tot landbouw na het einde van het paleolithicum.

Einde van het paleolithicum en overgang naar volgende periodes

Het paleolithicum eindigde rond 11.650 jaar geleden met het begin van het Holoceen en het opbloeien van fijnere, meer diverse werktuigtypen. In West-Europa markeert dit de overgang naar het Mesolithicum. In warmere delen van de wereld spreekt men soms van een Epipaleolithicum als tussenfase tussen jagen-verzamelen en landbouw. De overgang was regionaal verschillend en gebeurde niet overal op hetzelfde moment.

Bronnen en interpretatie

Onze kennis van het paleolithicum is gebaseerd op archeologische vondsten zoals stenen werktuigen, botresten, vuurplaatsjes en soms kunstvoorwerpen. Omdat organische materialen zelden goed bewaard blijven, is er een behouds- en interpretatiebias: veel dagelijks gebruikte materialen ontbreken in het archeologische archief. Archeologen combineren vondsten met stofanalyses, faunaresten, paleoklimaatgegevens en moderne experimenten (experimentale archeologie) om reconstructies te maken van technieken, levenswijze en sociale organisatie.

Door nieuwe vondsten en verbeterde dateringstechnieken blijven beelden van het paleolithicum veranderen en verfijnen: sommige gedragingen blijken ouder of wijdverspreider te zijn dan eerder gedacht. Toch vormt het paleolithicum onmiskenbaar de lange basis van de menselijke ontwikkeling — van eenvoudige stenen krabbers tot complex sociaal gedrag en expressie dat later de fundamenten vormde van landbouw en stedelijke beschavingen.